Dyslateralisatie

(Bijna) elk kind heeft in aanleg een voorkeurshand. Het is dus heel belangrijk dat het kind ook met die kant gaan werken.

De kant waar het kind mee werkt, daar hoort ook een hersenhelft bij.
De linkerzijde van ons lichaam wordt aangestuurd door de rechterhersenhelft en de rechterzijde van ons lichaam door de linkerhersenhelft. De beide hersenhelften hebben daarbij hun eigen taak. De één is dominant en de andere kant is de helper.

Het probleem ontstaat als één kant in de symmetriefase te weinig aan bod is geweest, doordat er te veel met één kant (de voorkeurskant) is gewerkt i.p.v. met twee. Een helpende hersenhelft kan alleen goed zijn taak vervullen als hij zich heeft kunnen ontwikkelen en daarvoor moet hij wel vaak gebruikt zijn.
Doordat er veel tweehandig gewerkt is, zijn er koppelingen gemaakt die zorgen voor een goede uitwisselingsmogelijkheid tussen de hersenhelften. De verbindingen worden in de symmetriefase verstevigd, mits deze fase goed doorlopen wordt.

Een andere oorzaak van een dyslateralisatie is dat kinderen niet lateraliseren (voorkeurskant kiezen). Of onjuist lateraliseren,-een andere kant dan hun basale voorkeurskant kiezen- omdat een bestaande, niet geïntegreerde reflex, vaak een ATNR, het gebruik van deze aanleg aanwezige voorkeurskant belemmert. Een kind ondervindt hier hinder van. Merkt dat het met de andere kant makkelijker gaat en gaat deze kant vervolgens als voorkeurskant gebruiken. Dit heet een dyslateralisatie die veel problemen kan veroorzaken. Deze reflexen werken dus altijd storend, waardoor de opvolgende ontwikkelingsfasen niet (goed) doorlopen kunnen worden.

Het gevolg hiervan is dat kinderen een motorische achterstand ontwikkelen.
Je ziet dan handschriftproblemen ontstaan en problemen zowel op motorisch; cognitief en sociaal-emotioneel niveau.

Reactiemogelijkheid is gesloten