Motorische ontwikkelingsfases

De motorische ontwikkeling kent vier fasen.
0 tot 3 jaar: Slurffase of asymmetrische fase
3 tot 6 jaar: Symmetriefase
6 tot 9 jaar: Lateralisatie fase (voorkeurshand)
8 tot 12 jaar: Dominantie fase

Het volledig doorlopen van de verschillende ontwikkelingsfasen is een voorwaarde om te kunnen leren. De motorische ontwikkeling verloopt van grof naar fijn. Een kind kan dus pas goed leren schrijven als het voldoende bewegingservaring heeft opgedaan in voorgaande fases. Het goed doorlopen van verschillende ontwikkelingsfasen is noodzakelijk om te kunnen bepalen of een kind links- of rechtshandig is.

De slurffase of asymmetrische fase, (0-3 jaar)
Deze fase kenmerkt zich door asymmetrische bewegingen ook wel slurfbewegingen genoemd. Deze bewegingen vinden plaats op basis van spanning en ontspanning.
Bijvoorbeeld, als de linker hand een vuist maakt, doet de rechter hand precies het tegenovergestelde, namelijk de vingers strekken. Dit is zinvol omdat veel dagelijkse bewegingen, denk aan lopen, dit verlangen. Er is nog geen controle over de bewegingen.

Kinderen worden geboren zonder remmingen. Dit remmende systeem heet inhibitie. Bewegingen van een baby komen tot stand door middel van reflexen.
Er zijn reflexen die bij de geboorte aanwezig zijn en later verdwijnen en er zijn reflexen die later ontstaan.
Een MRTer bekijkt/onderzoekt of een kind nog storende reflexen heeft die de ontwikkeling in de weg staan.

Kinderen leren spelenderwijs en ontdekken de wereld met hoofd, handen, voeten en gebruiken daarvoor al hun zintuigen. Het niet goed doorlopen van de asymmetrische fase kan later leiden tot:
• Onhandigheid
• Coördinatie problemen (evenwicht)
• Onvoldoende grove motoriek
• Hyperactiviteit
• Slechte oog-handcoördinatie
• Stoornissen in het kennen van het eigen lichaamsschema
• Slechte links-rechts coördinatie
• Onvoldoende concentratie
• Leermoeilijkheden,
• Onvoldoende taalbeheersing, moeilijk in staat kennis op papier over te brengen
• Gedragsproblemen

De symmetriefase
Deze fase kenmerkt zich doordat bewegingen van de linker- en rechter lichaamshelft elkaars spiegelbeeld zijn. Maakt het kind met de rechterhand een vuist, dan maakt de linkerhand ook een vuist. Dit hangt nauw samen met de ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel en met de hersenbalk-ontwikkeling.
Het is in deze fase erg belangrijk om tweehandige- en tweebenige bewegingen te stimuleren De hersenhelften ontwikkelen zich gelijk als beide kanten van het lichaam veelvuldig gebruikt worden.

De duim heeft in deze fase nog geen functie. Het aanleren van een goede pengreep is dan ook erg moeilijk in deze fase. Bij schrijven zijn ook vaak omkeringen zichtbaar. Dit is normaal en hoort bij deze ontwikkelingsfase. Kinderen ontwikkelen hun grove motoriek. Ze maken grote bewegingen, ze komen bij springen los van de grond, leren hun lichaam kennen en kunnen lichaamsdelen benoemen.
Voor het evenwicht is een goede symmetrische motoriek erg belangrijk. In de symmetriefase worden ook auditieve waarneming en de ruimtelijke beleving en ruimtelijke oriëntatie geoefend. Ook zie je, vooral bij moeilijke bewegingen, veel romp- en mondmotoriek. In deze fase krijgt de taal inhoud.

Problemen die we bij oudere kinderen tegenkomen als deze fase niet goed doorlopen is.
• Slechte pengreep
• Achterblijven in (werk)tempo
• Onderdrukken van de symmetrisch bewegende andere hand, bv. door erop te gaan zitten
• Moeite met leren lezen, schrijven en dictee
• Moeite met rijtjessommen (doorplussen, niet zien wanneer de bewerking verandert)
• Concentratiemoeilijkheden
• Onzekerheid, faalangst
• Slechte ruimtelijke oriëntatie

Leuke activiteiten in deze fase zijn:
• Klimmen en klauteren
• Schommelen
• Glijden
• Vingerverven
• Scheuren van papier.

De lateralisatiefase
De lateralisatiefase kenmerkt zich doordat de voorkeurshand gekozen wordt. De ene hand werkt terwijl de andere hand ‘assisteert’. In deze fase is het kind pas in staat fijne motorische handelingen toe te passen zoals schrijven. Het kind is nu in staat bewegingen te laten plaats vinden vanuit de pols en de vingers, en niet meer vanuit de hele arm. De handen werken in deze fase wel samen, maar ze maken een verschillende beweging bijvoorbeeld met mes en vork eten. In het begin zullen er meebewegingen van de andere hand zichtbaar zijn. Deze verdwijnen in de loop der tijd.
Het kind gaat een steun/werkhand ontwikkelen. Voor de benen is dat ook zo.

Je kunt nu het werken met één hand stimuleren. Het kind heeft in aanleg een voorkeurshand. Het is heel belangrijk dat een kind ook met die kant gaan werken. De kant waar het kind mee werkt, daar hoort ook een hersenhelft bij.
De linkerzijde wordt aangestuurd door de rechterhersenhelft en de rechterzijde door de linkerhersenhelft. De beide hersenhelften hebben daarbij hun eigen taak. De één is dominant en de andere kant is de helper.

Problemen die voorkomen bij kinderen die niet goed kunnen lateraliseren:
• Concentratie problemen
• Onzekerheid
• Blijvende omkeringen (cijfers & letters)
• Spiegelschrift
• Tempoverlies
• Gedragsmoeilijkheden
• Verkeerde pengreep

Leuke activiteiten in deze fase zijn o.a.:
• Alternerende oefeningen met ballen
• Touwtje springen
• Hinkelen op de speelplaats

De dominantiefase
De dominante hersenhelft is bepaald. De niet-dominante kant is coöperatief. Het kind kan meerdere dingen tegelijk uitvoeren.
De voorkeurshand heeft zich in deze fase duidelijk ontwikkeld en gaat allerlei schrijfactiviteiten uitvoeren. In deze fase wordt de taalontwikkeling aan de motorische ontwikkeling gekoppeld. Hierdoor is het ook eigenlijk pas mogelijk vanaf ongeveer 8 jaar om gerichte technische instructie d.m.v. aanwijzingen te geven. Indien alles verloopt zoals het moet, zullen er voor kinderen geen problemen ontstaan.

Met het verbeteren van de motoriek zullen ook de schoolprestaties, het gedrag en het zelfvertrouwen positief verbeteren.

Reactiemogelijkheid is gesloten